
Jurisprudentie
AT5334
Datum uitspraak2005-03-24
Datum gepubliceerd2005-05-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/3955 WUV + 04/147 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-05-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/3955 WUV + 04/147 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
WUV-uitkering. Schuld in verband met verscheping naar Israël en uitkering levensverzekering. Welke vermogensonderdelen dienen bij de berekening van de periodieke uitkering in aanmerking te worden genomen?
Uitspraak
03/3955 WUV + 04/147 WUV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij besluit van 30 juni 2003, kenmerk JZ/N80/2003/0461, en bij besluit van 28 november 2003, kenmerk JZ/L80/2003/954, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Door of namens eiseres is tegen deze besluiten bij de Raad beroep ingesteld. Bij (aanvullend) beroepschrift heeft
mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, de gronden aangevoerd waarop de beroepen van eiseres steunen.
Verweerster heeft verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2005. Aldaar is eiseres verschenen bij gemachtigde mr. A. Bierenbroodspot voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren [in] 1940, is vervolgde in de zin van de Wet. Aan eiseres is ingaande 1 augustus 1987 een periodieke uitkering toegekend. Bij op bezwaar genomen beslissing van verweerster d.d. 25 november 1992 is het voor de berekening van de periodieke uitkering in aanmerking te nemen vermogen van eiseres en haar echtgenoot per 1 augustus 1987 definitief vastgesteld. Bij deze vaststelling heeft verweerster geweigerd een schuld aan [naam shipstores] te [vestigingsplaats] ten bedrage van fl. 15.890,- ter zake van naar Israël overgebrachte goederen op het vermogen in mindering te brengen, daar deze schuld naar verweersters opvatting blijkens de overgelegde stukken is ontstaan op 26 augustus 1987 en is betaald op 27 augustus 1987. Ingaande 1 november 1988 is de omvang van het voor de berekening van de periodieke uitkering geldende vermogen door verweerster verhoogd met een bedrag van fl. 40.000 wegens toeval van vermogen ten gevolge van een aan de echtgenoot van eiseres uit coulance toegekende uitkering uit een collectieve ongevallenverzekering van KBB door [naam Assurantiën B.V.] ter zake van een hem op 7 maart 1983 overkomen auto-ongeluk.
Bij schrijven van 28 maart 2002 is namens eiseres verzocht het voor de berekening van haar periodieke uitkering vastgestelde vermogen te herzien in die zin dat beide voornoemde vermogensonderdelen daarop alsnog in mindering worden gebracht. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van verweerster van 30 juni 2003, zoals gedeeltelijk gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 28 november 2003. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerster alsnog het vermogen waarnaar de vermogensinkomsten worden berekend met ingang van 1 maart 2002 verminderd met de aan de echtgenoot van eiseres uitgekeerde verzekeringsuitkering, aangezien deze uitkering door verweerster nader wordt aangemerkt als schadevergoeding.
Bij berekeningsbeslissing van 31 augustus 2002 heeft verweerster de aan eiseres toekomende periodieke uitkering over het jaar 2001 definitief berekend en hierbij is ingaande 1 december 2001 rekening gehouden met een vermogenstoeval ter zake van een in november 2001 tot uitbetaling gekomen levensverzekering ten name van eiseres’echtgenoot waartoe het vermogen is verhoogd tot € 57.027,92. Een namens eiseres tegen deze berekening ingediend bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 30 juni 2003 ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van een daartoe strekkend namens eiseres ingediend verzoek heeft verweerster het in aanmerking te nemen deel van de vermogenstoeval als gevolg van deze uitkering van levensverzekering bij berekeningsbeslissing van
29 februari 2004 nader vastgesteld en ingaande 1 januari 2002 het voor de berekening van eiseres’periodieke uitkering in aanmerking te nemen vermogen verlaagd tot € 43.637,99. Als gevolg van verweersters thans bestreden besluit van 30 juni 2003 is het voor de berekening van de periodieke uitkering in aanmerking te nemen vermogen per 1 maart 2002 wederom verlaagd en vastgesteld op € 25.486,78.
Het tussen partijen bestaande geschil heeft betrekking op voornoemde schuld aan [naam shipstores], de ingangsdatum van de door verweerster in verband met de aan de echtgenoot uitgekeerde schadevergoeding tot stand gebrachte verlaging van het vermogen, zoals opgenomen in verweersters besluit van 28 november 2003, alsmede op de in het besluit van
30 juni 2003 begrepen berekening van het in aanmerking te nemen deel van de vermogenstoeval ter zake van de in november 2001 uitgekeerde levensverzekering.
De Raad overweegt als volgt.
De in het besluit van 28 november 2003 begrepen schuld aan [naam shipstores]
Naar uit het voorgaande blijkt is omtrent het al dan niet op het vermogen in mindering brengen van deze schuld door verweerster bij besluit van 25 november 1992 een definitief standpunt ingenomen. Het thans bestreden besluit is genomen naar aanleiding van een namens eiseres ingediend verzoek om herziening. Naar ter zitting namens eiseres is verklaard, is met het onderhavige verzoek beoogd een beroep op verweersters coulance te doen om verweerster tot wijziging van haar standpunt te brengen op grond van de aannemelijkheid van het bestaan van deze schuld voor 1 augustus 1987, aangezien deze samenhing met een verhuizing naar Israël van voor die datum. Tot een dergelijke herziening uit coulance acht de Raad verweerster evenwel niet gehouden. Nu aan het verzoek om herziening geen feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die aan verweerster niet al bekend waren, heeft verweerster dit verzoek naar het oordeel van de Raad op goede gronden afgewezen.
De ingangsdatum van de bij het bestreden besluit van 28 november 2003 tot stand gebrachte vermogensvermindering
De Raad stelt vast dat aan het onderhavige besluit eveneens een verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegen, welk verzoek verweerster heeft gehonoreerd en wel overeenkomstig het bepaalde in artikel 34 van de Wet met ingang van de eerste dag van de maand waarin het verzoek om herziening is ingekomen. De Raad kan deze handelwijze van verweerster niet onjuist achten. Anders dan de gemachtigde van eiseres is de Raad van oordeel dat ter zake van deze vermogenskorting in het verleden door verweerster niet apert onjuist is gehandeld. De Raad stelt vast dat in de onderhavige procedure met betrekking tot deze uitkering geen andere of nadere bewijsstukken beschikbaar zijn gekomen dan aan verweerster reeds bekend waren, noch gegevens naar voren zijn gekomen die op het karakter van de uitkering een ander licht werpen. Tegen deze achtergrond moet het ervoor gehouden worden dat gewijzigde inzichten omtrent het karakter van deze uitkering zoals namens verweerster ter zitting verklaard, haar hebben gebracht tot wijziging van haar standpunt. Een ingangsdatum gelegen voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek tot herziening is gedaan, ligt alsdan naar het oordeel van de Raad niet in de rede. Het beroep van eiseres op dit punt oordeelt de Raad mitsdien ongegrond.
De berekening van het in aanmerking te nemen deel van de vermogenstoeval ter zake van in november 2001 uitgekeerde levensverzekering
Naar uit de gedingstukken blijkt en de Raad uit andere gedingen bekend is, placht verweerster bij uitkeringen als de onderhavige het standpunt in te nemen dat dat deel van het uitgekeerde kapitaal dat is opgebouwd na de datum van ingang van de periodieke uitkering, in feite is opgebouwd met behulp van die uitkering en als zodanig niet als toeval van vermogen in de zin van artikel 19, vijfde lid, onder b, van de Wet kan worden beschouwd. De Raad heeft eerder deze werkwijze van verweerster in overeenstemming met een redelijke wetstoepassing geoordeeld. Overeenkomstig deze werkwijze heeft verweerster in het onderhavige geval, uitgaande van de in casu geldende polistermijn van 360 maanden, vastgesteld dat 189 maanden aan de periodieke uitkering zijn vooraf gegaan. Verweerster heeft aldus 189/360 deel van de uitkering als vermogenstoeval in de zin van voornoemd artikellid aangemerkt en ingaande 1 december 2001 bij de berekening van de eiseres toekomende uitkering betrokken. De Raad heeft geen aanleiding thans anders te oordelen over de aldus door verweerster gevolgde werkwijze. De enkele omstandigheid dat verweerster sinds begin 2003 bij uitkering van lijfrente of kapitaalverzekering een andere werkwijze toepast en niet alleen rekening houdt met de betaalde premie of inleg maar ook met het daaraan toe te rekenen rendement, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. Naar uit de gedingstukken blijkt, acht verweerster deze werkwijze van toepassing op eerst in 2002 of later voor de eerste maal tot uitbetaling gekomen uitkeringen. Verweerster is bereid ten aanzien van uitkeringen die voor 1 januari 2002 tot uitbetaling zijn gekomen op een daartoe strekkend verzoek van de uitkeringsgerechtigde een beoordeling via deze nieuwe richtlijnen tot stand te brengen. Een dergelijke beoordeling volgens de nieuwe richtlijnen heeft in het geval van eiseres naar aanleiding van een namens haar ingediend verzoek ook plaats gevonden en heeft geresulteerd in een vermogensvermindering deswege, waaraan ingevolge verweersters in dit kader gehanteerde beleid een terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 is verleend. De Raad ziet geen aanleiding om verweerster gehouden te achten in afwijking van haar hiervoor geschetste werkwijze in het geval van eiseres reeds ingaande 1 december 2001 aan haar nieuwe berekeningswijze toepassing te geven. Het beroep van eiseres op dit punt moet dan ook ongegrond verklaard worden.
Namens eiseres is voorts nog aangevoerd dat verweerster bij besluit van 28 november 2003 ten onrechte heeft geweigerd aan eiseres de in bezwaar tegen verweersters besluit van 30 juni 2003 gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden, nu verweerster laatst genoemd besluit gedeeltelijk heeft herroepen. Naar opvatting van eiseres’gemachtigde was dit besluit in strijd met het recht genomen dan wel feitelijk onjuist. De Raad ziet geen aanleiding eiseres in deze opvatting te volgen, daar, naar ’s Raads oordeel, geen van beide situaties zich in dit geval voordoet en naar uit het vorenstaande blijkt de herroeping van dit besluit uitsluitend het gevolg is van bij verweerster tot stand gekomen gewijzigde inzichten omtrent het karakter van de aan de echtgenoot van eiseres ter zake van het hem overkomen auto-ongeluk uitbetaalde uitkering.
Namens eiseres is tevens gevorderd verweerster op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van schade bestaande uit kosten van rechtsbijstand sedert 1 februari 2002, alsmede vergoeding van sedert die datum opgetreden renteschade, als gevolg van te hoge vermogenskorting in verband met de nader tot stand gebrachte berekening van vermogenstoeval als gevolg van de in november 2001 tot uitbetaling gekomen levensverzekering. De Raad stelt in dit verband voorop dat het beroep van eiseres tegen verweersters op deze vermogenskorting betrekking hebbende besluit van 30 juni 2003, naar hiervoor is overwogen, ongegrond is geoordeeld. De Raad acht reeds daarom geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8: 73 van de Awb en de beweerdelijke schade in de onderhavige procedure voor vergoeding in aanmerking te brengen.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart de beroepen ongegrond;
Wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.
(get.) C.G. Kasdorp
(get.) A.D. van Dissel-Singhal

